Je denkt bijvoorbeeld steeds: ‘ik word misschien besmet met een virus’ (obsessie), en je wast vervolgens je handen vaak en langdurig (compulsie).
Een ander voorbeeld is dat je denkt ‘heb ik het gas wel uitgedraaid? Straks komt er brand door mijn schuld’ (obsessie) en je steeds gaat controleren of het gas wel of niet is uitgedraaid (compulsie).
Na een dwanghandeling wordt je vaak even minder angstig van de obsessie, maar op de lange termijn zorgt dit juist voor meer angst. Vaak vragen mensen met een dwangstoornis veel geruststelling aan mensen in hun omgeving, bijvoorbeeld aan hun partner ‘wil jij even kijken of het gas uit is? Is het echt uit? Echt?’ Meestal ben je veel tijd kwijt aan het uitvoeren van de dwanghandelingen.
Behandeling
Tijdens de behandeling krijg je eerst uitleg over de obsessief-compulsieve stoornis. Het gedrag, bijvoorbeeld vaak je handen wassen, is vermijdingsgedrag. Je leert door oefeningen dat je angst ook zal afnemen zonder de dwanghandelingen uit te voeren. Je leert om stapje voor stapje weer situaties op te zoeken die je vermijdt zonder de dwanghandelingen uit te voeren. We noemen dat exposure met responspreventie. Je raakt bijvoorbeeld met je hand iets aan wat in jouw ogen vies is (exposure), zonder daarna je handen te wassen (responspreventie). Of je denkt heel vaak aan het gas (exposure), zonder dat je het gaat controleren (responspreventie). Je zult merken dat de obsessies minder vaak voorkomen en minder angst oproepen. Ook leer je tijdens de cognitieve therapie om op een andere manier te denken over je obsessies. Bijvoorbeeld dat de kans dat je besmet raakt van het aanraken van de kraan niet groot is, of dat er geen gevaarlijke dingen gebeuren als je niet vaak controleert of het gas uit is.